Columns

Goed gesprek in Jeruzalem

Van de zomer dacht ik er opeens aan terug: aan een gesprekje bij de Hurva synagoge in de Oude Stad van Jeruzalem. Eind januari 2018 heb ik in het kader van de permanente educatie een studiereis naar Israël meegemaakt voor predikanten binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Daarbij was het de bedoeling dat je korte gesprekken zou voeren over beweegredenen om op heilige plekken te komen of te werken. 

Hurva synagoge met de zevenarmige kandelaar (Menorah) ervoor

Er zijn in dat deel van Jeruzalem, dat de Oude Stad heet, vier wijken: de Joodse, de Armeense, de christelijke en de Arabische wijk. (De Armeense wijk is ook christelijk.) Bij de Hurva synagoge ligt in de Joodse wijk, die tot aan de Westelijke Muur gaat. Voor die synagoge raak ik in gesprek met een Joodse man in geheel zwarte kleding, pijpenkrullen en draadjes (tsietsiet) buiten de broek rond de heupen: orthodox, zoals dat heet. Hij zit op een muurtje aan het plein voor die synagoge.

Ik vraag hem: op welke plaats hij meestal bidt. Ik denk: bij deze nieuwe synagoge, die nog niet zo lang de ooit verwoeste synagoge kan vervangen. Deze hoog gebouwde Hurva synagoge is beeldbepalend geworden voor het silhouet van de Oude Stad. Dat is ‘s avonds mooi te zien door de verlichting, naast de gouden Rotskoepel en de Heilige Grafkerk in de Oude Stad van Jeruzalem.

Hij antwoordt: bij de Westelijke Muur – in het Nederlands zeggen we vaak ’Klaagmuur’. Dat is de plek voor de overgebleven muur van het Tempelplein, die na 1967 een enorme aantrekkingskracht heeft voor godsdienstige en nationale beleving. (Het is opmerkelijk dat in de media het woord ‘Tempelplein’ nog altijd gehanteerd wordt. Dat is wel historiebewust.)

Ik vraag hem of ik even met hem mag praten. Dat vindt hij goed. Dat ik Nederlander ben, komt goed uit, want hij is geboren in Amsterdam, hoewel hij de taal nauwelijks spreekt. Het woord ‘school’ kent hij. Maar als jong ventje is hij met zijn ouders naar Israël getrokken.

Westelijke Muur in Jeruzalem, waarop het Tempelplein steunt

Ik vraag, waarvoor hij vooral bidt. Of dat hij alleen oude gebedsteksten bidt.

Hij geeft een opmerkelijk antwoord: ik bid om de komst van de Messias!

Meestal, zo is mijn ervaring, vallen Joodse mensen vaak stil als je vraagt naar wat ze bidden. Hij vertelt het klip en klaar.

Dat brengt me bij de vraag, wat hij van de Messias zoal verwacht, wat de Messias zal doen en waarom de Messias zo belangrijk is, dat hij om Hem bidt.

Hij is goed duidelijk in zijn antwoord: dan zal er vrede zijn, dan zal niemand meer geweld gebruiken, dan kan iedereen rustig leven zonder bedreiging.

Ik vraag: zal er dan ook ziekte zijn en dood? Nee, zegt hij.

Zal de Messias de tranen van onze ogen wissen? Ja, zegt hij.

Ik vertel dat in het laatste Bijbelboek, in Openbaring 21, dat precies zo staat.

Dat wist hij niet.

Ik vertel, dat ik christen ben en dat ik dat ook geloof.

Dat ziekte en dood, honger en pijn, verdriet en angst er niet meer zullen zijn.

Na dit gesprek loop ik vederlicht verder over het plein voor de Hurva-synagoge.

Wat is het toch goed, dat je over zo’n mooie verwachting rustig kunt praten, open  en vooral verwachtingsvol.

Ds. Wim Scheltens

Similar Posts