Kinderkring 20220116

Kaïn en Abel 

‘Ik kan gaan oogsten!’ zegt Kaïn hardop tegen zichzelf. Tevreden wandelt hij over zijn land. Wat is alles goed gegroeid. Hij plukt een heleboel korenaren. In de verte ziet hij zijn broer Abel aankomen, met zijn kudde schapen. Kaïn en Abel zijn de kinderen van Adam en Eva. Kaïn werkt het liefst op het land. Abel zorgt graag voor de geiten en schapen. Kaïn kijkt nog eens naar de korenaren die hij net geplukt heeft. Hij kan wel een offer brengen aan God. Hij begint stenen te stapelen en maakt een vuur. Daarbovenop legt hij het koren. Dan komt Abel erbij staan met een lammetje in zijn armen. ‘Wat ga je doen?’ vraagt Kaïn. ‘Ik ga ook een offer brengen,’ zegt Abel. ‘Ik wil God laten zien dat ik hem dankbaar ben voor alles wat hij geeft.’ Al snel branden allebei de offers. Maar dan ontdekt Kaïn iets: God kijkt naar Abel en naar het offer van Abel. Maar hij kijkt niet naar Kaïn en naar het koren dat hij offert. Kaïn voelt hoe hij steeds kwader wordt. Hij gaat steeds bozer kijken: zijn ogen worden donker. Het liefst zou hij nu heel hard uitroepen hoe oneerlijk hij het vindt! ‘Waarom kijk je zo boos?’ vraagt God. ‘Als je doet wat goed is, kun je iedereen aankijken. Maar nu wil het kwaad de baas over je zijn. Kaïn, jij moet sterker zijn dan het kwaad!’ Kaïn kijkt naar zijn broer. ‘Ga je mee?’ vraagt hij. Ze lopen een stuk. Maar dan begint Kaïn zijn broer ineens te slaan. Abel valt op de grond en blijft stil liggen. ‘Sta nu maar weer op!’ schreeuwt Kaïn. Hij wil zijn broertje aan zijn armen omhoogtrekken. Maar wat is dat? Het lichaam van Abel is slap. Geschrokken knielt Kaïn naast hem neer. Wat heeft hij gedaan? Abel leeft niet meer. Kaïn begint te rennen. Hij wil weg bij deze nare plek. ‘Kaïn, waar is je broer Abel?’ klinkt een stem uit de hemel. Kaïn staat stil. Het is de stem van God. ‘Dat weet ik niet,’ zegt Kaïn. ‘Ik hoef toch niet op mijn broer te passen?’ ‘Wat heb je gedaan?’ vraagt God. ‘Je hebt je eigen broer gedood! Daarom straf ik je. Het zal voortaan slecht met je gaan. Je moet weg van deze plek. Ook al werk je hard op het land, er zal niets meer voor jou groeien. Je hebt geen plek meer om te wonen, je moet over de aarde zwerven.’ Kaïn schrikt van Gods woorden. Hij fluistert bijna als hij zegt: ‘Wat ik heb gedaan is erg, maar de straf die u geeft is te zwaar! Als ik over de aarde zwerf, kan iedereen mij zomaar doden.’ ‘Dat zal niet gebeuren,’ zegt God. ‘Want ik straf je niet alleen. Ik bescherm je ook. Ik maak een teken op je lichaam dat je zal beschermen.’ Zo gaat Kaïn weg van de plek waar hij met Adam en Eva woont. Zijn hele leven zwerft hij rond. Maar God blijft hem beschermen.

Vergelijkbare berichten