|

Kinderkring

Beste ouder of opvoeder, 

Uw kinderen doen mee met Bijbel Basics, het kindernevendienstprogramma van het Nederlands Bijbelgenootschap waarin de Bijbel én het kind centraal staan. De komende zes weken lezen we met Bijbel Basics verhalen over het begin van de wereld. We beginnen met Psalm 103, en daarna volgen vijf verhalen uit het bijbelboek Genesis. We lezen over de schepping van de hemel en de aarde en van alles wat daar leeft, de eerste mensen in de tuin van Eden en daarbuiten, Noach en de grote overstroming, en de toren van Babel. Bent u benieuwd wat uw kinderen allemaal kunnen gaan beleven, en wilt u handreikingen om het gesprek met hen aan te gaan? Lees dan verder!

Deze zondag is de tweede van een blok over het begin van de wereld. Vandaag lezen we Genesis 1:1-2:4. God maakt de hemel en de aarde, en alles wat daarbij hoort. We richten ons op wat God doet: hij schept alles en ziet dat het goed is. 

Met de oudere kinderen kunt u het erover hebben dat God de mensen zó maakt dat ze op hem lijken. Maar is ‘lijken op God’ ook ‘doen zoals God’?

Met de jongere kinderen kunt u doorpraten over hoe mooi God de hemel en de aarde, en alles wat daarbij hoort maakt. Bijvoorbeeld tijdens een wandeling buiten. Wat vinden de kinderen het allermooiste dat God gemaakt heeft?

Verhaal

God schept de hemel en de aarde In het begin maakte God de hemel en de aarde. De aarde was leeg en donker. Maar toen zei God: ‘Er moet licht komen.’ En kijk! Er was licht. God zag hoe mooi het licht was. ‘Jij heet voortaan dag,’ zei God tegen het licht. ‘En jou noem ik nacht,’ zei God tegen het donker. Het werd avond. Het werd donker. En de volgende ochtend werd het weer licht. Dat was de eerste dag. 

‘Er moet lucht komen,’ zei God. En er kwam lucht. Een blauwe hemel, zo ver je kon kijken. Het werd avond. Het werd donker. En de volgende ochtend werd het weer licht. Dat was de tweede dag. 

‘Er moet droog land komen,’ zei God. Al het water op aarde stroomde naar één plek toe. Dat was de zee. Er kwam droog land tevoorschijn. God zag dat het mooi was. ‘Er moeten planten komen,’ zei God. ‘En bomen met vruchten eraan.’ Heel de aarde werd groen. Er kwam gras, er kwamen planten, en bomen met lekkere vruchten eraan. God zag hoe mooi het was. Het werd avond. Het werd donker. En de volgende ochtend werd het weer licht. Dat was de derde dag.

‘Er moeten speciale lichten aan de hemel komen,’ zei God. ‘Zodat je kunt zien welke dag het is, en welke maand.’ God maakte de zon voor overdag, en de maan voor als het nacht werd. Hij maakte ook sterren. God zag hoe mooi het was. Het werd avond. Het werd donker. En de volgende ochtend werd het weer licht. Dat was de vierde dag. 

‘Er moeten dieren in het water komen,’ zei God. ‘En de lucht is ook nog leeg. Daar heb ik vogels voor bedacht.’ God maakte zeepaardjes, pinguïns en zeehonden. Hij maakte walvissen en guppies. God maakte ooievaars en mussen, adelaars en duiven. Ze vlogen hoog de lucht in en zweefden op de wind. Ze landden in de takken van de bomen, ze tjilpten, ze floten, ze koerden. God zag hoe mooi het was. ‘Ik wil dat jullie jonkies krijgen,’ zei God. ‘Ik wil dat er steeds meer dieren in de zee komen, en dat er overal op aarde vogels zijn.’ Het werd avond. Het werd donker. De vogels gingen slapen. Wat was het ineens stil op aarde! En de volgende ochtend werd het weer licht, en alle vogels floten. Dat was de vijfde dag. 

‘Er moeten ook dieren op het land komen,’ zei God. ‘Wilde en tamme dieren. Grote en kleine.’ God ging aan het werk. Hij maakte olifanten en torren. Honden en tijgers. Slangen en zebra’s. Het was prachtig. ‘Nu wil ik nog mensen maken,’ zei God. ‘Mensen die op mij lijken. Die voor de aarde kunnen zorgen. Die voor de dieren kunnen zorgen.’ God maakte een man en een vrouw. ‘Jullie moeten kinderen krijgen,’ zei God. ‘Ik wil dat er overal op aarde mensen komen. Jullie zijn de baas over de aarde en over alle dieren. Zorg er goed voor.’ God keek naar alles wat hij gemaakt had. Het was zo mooi. Het werd avond. Het werd donker. En de volgende ochtend werd het weer licht. Dat was de zesde dag. 

Op de zevende dag rustte God uit. ‘De zevende dag, dat wordt een speciale dag,’ zei hij. 

God was heel blij met alles wat hij gemaakt had.

Vergelijkbare berichten