Columns

Werk, bid & bewonder. Een nieuwe kijk op kunst & calvinisme

We leven in een bijzonder weekeinde. Vrijdag 9 november is de herinnering aan de Kristallnacht 1938, waarin winkels van Duitse Joden werden geplunderd. Vrijdag is ook de herinnering aan de val van de Berlijnse Muur, 1989.

Zaterdag is de landelijke dag voor de Mantelzorg en die dag herinnert weer aan 11 november, de dag van Sint Maarten, die zijn mantel doormidden sneed om een stuk te geven aan een zwerver. 

En op 11 november 1918 was er de wapenstilstand in de Eerste Wereldoorlog, die toen nog de Grote Oorlog heette. Op zaterdag 10 november opent koning Willem-Alexander de tentoonstelling ‘Werk, bid & bewonder’. Het gaat over kunst en calvinisme in het Dordrechts Museum. 

Juist dat ‘bewonder’ trekt mijn aandacht. Onwillekeurig denk je even aan dat lied van

Ramses Shaffy  ‘Zing, vecht, huil, bid, lach, werk en bewonder’. 

De tentoonstelling wil laten zien dat de kerkelijke stroming rond Calvijn in de zeventiende eeuw helemaal niet saai en sober was, zoals nu vaak wordt gedacht. 

In het Nederlands Dagblad van vrijdag 9 november vertelt conservator Marianne Eekhout, dat de ‘mythe van soberheid en gematigdheid’ pas is ontstaan aan het eind van de negentiende eeuw ontstaan.

Ze zegt: ‘Abraham Kuyper noemde zich toen de leider van de ‘kleine luyden’, de eenvoudige, hardwerkende gereformeerden. Daar komt het idee vandaan dat het calvinisme saai, streng en sober zou zijn.’

 

Wie binnenkort in Dordrecht rondloopt, krijgt heel wat anders te zien en te bewonderen. Eekhout vertelt: ‘De gereformeerden behoorden in de zeventiende eeuw tot de bovenlaag van de samenleving. En dat lieten ze in hun rijk ingerichte huizen ook zien. Iemand als Johannes Calvijn was helemaal geen tegenstander van kunst, integendeel. Hij vond alleen dat beelden niet in de kerk thuishoorden.’

Van preutsheid bij de calvinisten is niet zo veel sprake. Eekhout wijst op het schilderij ‘Caritas’ van de Utrechtse schilder Joachim Wtewael uit 1623: ‘Hij was een maniërist: een schilder die hield van mollige, naakte vrouwen. Dat zie je op dit schilderij, dat hij als calvinist dus gewoon kon schilderen.’ 

‘Caritas’ van de Utrechtse schilder Joachim Wtewael uit 1623

(Beeld is van het Dordrecht Museum)

In Dordrecht is de Synode van 1618/1619 geweest. Daarnaar zijn de Dordtse Leerregels genoemd. Maar belangrijker nog is, dat het besluit is genomen om te komen tot een Nederlandse Bijbelvertaling, die door de Staten Generaal is gefinancierd en daarom de Statenbijbel wordt genoemd. De Staten-Generaal besloten trouwens pas op 18 juli 1625 dat de vertalers in Leiden zouden wonen, met vergoeding van huur (behalve de twee Leidenaars) en andere kosten, terwijl men vrijstelling van werk en doorbetaling van salaris aan hun respectievelijke besturen zou vragen. De Staten-Generaal gingen pas in 1626 akkoord met het verzoek van de synode, waarop de vertalers aan de slag konden. Het vertaalwerk gebeurde in Leiden. In 1635 was de Statenvertaling gereed en in 1637 werd ze door de Staten geautoriseerd. De stad Leiden betaalde 2500 gulden voor het octrooi om de Bijbel in Leiden te laten drukken. 

Wil toch niet vergeten dat de pest rondwaarde in die tijd in Leiden en dat dagelijks over de keien van het Rapenburg en Pieterskerkhof de wagens met slachtoffers reden. Dat moet tot in de studeerkamers van de Bijbelvertalers te horen zijn geweest. En toch zijn ze doorgegaan met het vertalen van de Bijbel! 

Sterker als dood is het levende Woord, zou dat ook hebben meegespeeld?

Terug naar die tentoonstelling: over die synode, ook vernieuwing in kerk­interieurs, beeldende kunst bij de calvinisten en ‘calvinistische muziek’ zijn ook onderwerpen, die in Dordrecht aan bod komen. De gedachte, dat de kerken na het verwijderen van de katholieke voorwerpen wit en kaal werden, klopt niet. ‘In werkelijkheid bleef vaak een groot deel van de inventaris intact’, zegt Eekhout. ‘In de Grote Kerk in Dordrecht bleven de koorbanken, glas-in-loodramen en de preekstoel staan. De beelden verdwenen wel, maar werden in veel kerken vervangen door grote Tien Geboden-borden, wapenschilden, herenbanken en grote grafmonumenten.’

Er zijn schilderijen en er is kerkzilver, zoals een avondmaalsbeker. Wat mij bijzonder aanspreekt is, dat er is een fraai model is van de Grafkerk in Jeruzalem uit 1671. 

Luthers kastje (Stedelijk Museum te Alkmaar)

Een van de mooiste te bewonderen voorwerpen is het ‘Luthers kastje’. ‘Als je het deurtje opent, zie je dat het aan de binnenkant beschilderd is’, zegt Eekhout. ‘Nog verrassender wordt het als je de laatjes opentrekt. De bodems daarvan zijn ook allemaal beschilderd. In negen kleine laatjes zijn negen reformatoren te zien. Natuurlijk Luther, Zwingli en Calvijn, maar ook nog zes anderen.’ 

Het wordt het Luthers kastje genoemd, omdat aan de binnenkant van de lades die rechtstreeks op het hout geschilderde portretten te zien zijn van kerkhervormers.

De tentoonstelling stopt bij het jaar 1920, ‘het jaar waarin Abraham Kuyper overleed’. 

De tentoonstelling duurt tot en met 26 mei in het Dordrechts Museum, Museumstraat 40, Dordrecht.

Ik hoop er zelf eerst eens een kijkje te nemen; dan is het misschien de moeite waard om een extra dagtocht in het toerustingprogramma te organiseren naar Dordrecht!

Ds. Wim Scheltens

Similar Posts