Wonderbare visvangst

Wie is er wel eens verhuisd? Of ken je iemand die verhuisd is? Als je een tijd hebt moeten wennen aan je nieuwe plek, kan het héél fijn zijn om weer even terug te gaan naar waar je vandaan kwam. Vandaag horen we over de leerlingen van Jezus, zijn discipelen, die al een paar jaar steeds onderweg zijn geweest. Want Jezus was vaak op reis om de mensen over God te vertellen, en zij gingen dan mee. In ons verhaal zijn de discipelen even terug waar ze vroeger woonden. Luister je mee?

Zeven van de discipelen zijn bij elkaar bij de plaats waar sommigen van hen vandaan komen. Petrus is erbij, Tomas, Natanaël, Jakobus en Johannes, en nog twee discipelen. Ook al is Jezus nu weer opgestaan, Hij is niet altijd bij zijn leerlingen. Maar af en toe. Dat is voor hen best wennen. Toen Jezus nog bij hen was, zei Jezus vaak wat ze moesten doen. Wat zou Jezus nu willen dat ze doen? Petrus kijkt eens om zich heen. Ze zijn bij het meer van Tiberias, waar veel mensen een boot hebben. Misschien weet je nog dat sommige discipelen met een boot aan het vissen waren, toen Jezus hen riep om mee te komen. Nou, vìssen, daar heeft Petrus wel zin in! 

Hij kijkt de anderen aan en zegt: ‘Jongens, ik ga vissen!’ ‘Nou, dan ga ik met je mee’, zegt de een na de ander.

Vissen doen ze nachts, omdat de vissen dan uit hun schuilplaatsen komen. Je vangt dan meer. Maar die nacht wil het maar niet lukken. Niet één vis komt er in hun net. ‘Ik snap er niks van!’, zucht Jakobus. ‘Waarom wil het nou niet? We doen het net zoals vroeger.’ En nog eens proberen ze het: links in de boot gaan staan, het net vasthouden, een eind van de boot slingeren… ‘Als het nou niet lukt, kap ik ermee’, zegt Johannes. ‘Er zit vannacht gewoon geen vis.’ En terwijl Petrus en Tomas het net voor ze zoveelste keer leeg binnenhalen, zucht Natanaël: ‘Nou, inderdaad. Dit is jammer van onze tijd. Kijk, het wordt al bijna licht. Laten we teruggaan.

 Als ze dicht bij de kant komen, zien ze een man staan. Het is Jezus, maar ze herkennen Hem niet. De man roept over het water: ‘Hebben jullie misschien wat te eten?’ Maar de vissers moeten beschaamd antwoorden: ‘Nee, we hebben helemaal niks!’ ‘Gooi het net aan de andere kant uit de boot! Dan zul je wel vis vangen!’, roept de man terug. Nou, dat is raar zeg, denken ze allemaal. Alles in de boot is zo gemaakt, dat ze het best links kunnen staan om het net in het water te gooien. Johannes krabt eens achter z’n oor. En Tomas vraagt: ‘Huh? Waarom zou het rechts wèl lukken? Die vissen zien heus het verschil niet, hoor!’ Maar Jacobus zegt eenvoudig: ‘Waarom zouden we het niet gewoon proberen?’ En dat doen ze. 

Als ze aan de touwen trekken om het net weer binnen te halen, is er iets vreemds aan de hand… ‘Ho!’, roept Natanaël. ‘Wacht even, het net zit vast!’ Johannes komt helpen. Zit het net vast aan een grote steen onder water? Dan moeten ze straks het net voorzichtig lostrekken en weer repareren; dat gebeurt wel vaker. Met een kapot net kun je niet vissen. ‘Nee joh’, roept Petrus, ‘kijk dan! Dat net zit barstensvol! Help even mee!’ Ze moeten het net goed vasthouden, zó vol zit het. Iedereen is verbaasd. Dit hebben ze nog nooit meegemaakt! Maar dan dringt het tot Johannes door: dit kan er maar Één zijn. Zijn ogen worden groot en zijn gezicht staat blij als hij Petrus aanstoot en zegt: ‘Het is de Heer!’ Petrus had zijn bovenkleren uitgedaan om ze droog te houden bij het vissen, maar hij trekt ze nu gelijk aan en springt in het water. Dàn maar natte kleren denkt hij. Als Jezus daar is, wil hij direct naar Hem toe! 

Het is nog maar zo’n 100 meter naar de kant. De anderen komen met de boot en slepen het boordevolle net er achteraan. Als ze op de kant zijn, zien ze dat Jezus al een vuurtje heeft liggen, waarop Hij al vis heeft klaargemaakt en brood. Hij zegt: ‘Breng maar wat van de vis die jullie gevangen hebben.’ Petrus klimt de boot in, maakt het touw van het net los van de boot, en sjort het in z’n eentje op het droge. Het is bijzonder dat het niet scheurt; als ze gaan tellen, hebben ze wel 153 gróte vissen. Ze geven Jezus ervan. Hij zegt: ‘Kom, dan gaan we samen eten’. Ze kijken Jezus nog eens aan, maar durven Hem niet te vragen wie hij is. Want ze wéten dat het Jezus is, ook al lijkt Hij nu anders. Jezus deelt uit van het brood en de vis en zo zitten ze samen te eten. De derde keer dat ze Jezus weer zien nadat Hij dood is geweest en weer levend werd.

Similar Posts